Er bestaan in het Nederlands acht werkwoordstijden. Om te bepalen of de zin in de tegenwoordige tijd of in de verleden tijd staat, kijk je naar de pv. Staat er verder een hulpwerkwoord van 'hebben' of 'zijn' in de zin, dan is de zin voltooid. Zo niet, dan is de zin onvoltooid. Staat er een hulpwerkwoord van 'zullen' in de zin dan heb je te maken met de toekomende tijd. Hieronder volgen enkele voorbeelden:
Onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.)
Ik werk
Ik kom
Onvoltooid verleden tijd (o.v.t.)
Ik werkte
Ik kwam
Voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)
Ik heb gewerkt
Ik ben gekomen
Voltooid verleden tijd (v.v.t)
Ik had gewerkt
Ik was gekomen
Onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd (o.t.t.t.)
Ik zal werken
Ik zal komen
Onvoltooid verleden toekomende tijd (o.v.t.t.)
Ik zou werken
Ik zou komen
Voltooid tegenwoordig toekomende tijd (v.t.t.t.)
Ik zal gewerkt hebben
Ik zal gekomen zijn
Voltooid verleden toekomende tijd (v.v.t.t.)
Ik zou gewerkt hebben
Ik zou gekomen zijn
zaterdag 15 februari 2014
Spelling werkwoorden
1. Infinitief = het hele werkwoord
Ik ga buiten fietsen
2. Persoonsvorm (pv)
* tegenwoordige tijd
--> Ik-vorm ik fiets
--> jij, hij, zij het = ik-vorm + t jij fietst
--> wij, jullie, zij = ik-vorm +en wij fietsen
* verleden tijd
- sterke werkwoorden = klinkerverandering
ik roep - ik riep
wij roepen - wij riepen
- zwakke werkwoorden
--> ik-vorm + te (enkelvoud)
--> ik-vorm +ten (meervoud)
--> ik-vorm + de (enkelvoud)
--> ik-vorm +den (meervoud)
wanneer te/de en ten/den?
Is het een klankvast werkwoord?
Ja --> schrijf wat je hoort als je het in het meervoud zet (baalden dus baalde en niet baalte)
Als de stam eindigt op x c t f k s ch p dan stam + te/ten
Als de stam niet op deze letters eidigt dan stam + de/den
3. Voltooid deelwoord
Het voltooid deelwoord staat meestal achteraan in de zin en heeft een hulpwerkwoord van hebben of zijn bij zich in de zin staan bijvoorbeeld : ik heb gefietst
je maakt het voltooid deelwoord langer als je niet weet of je het met een d of t moet schrijven. Beter is als je de regel van 't Kofschip + x toepast. We nemen de stappen die je moet zetten een keer door
stap 1 : neem het infinitief van het werkwoord --> Juichen
stap 2 : laat 'en' weg (=stam) --> juich
stap 3 : staat ch in 't kofschip? --> ja dus met een T
stap 4 : ik vorm + te --> juichte
4. Bijvoeglijk naamwoord
Wordt het werkwoord als bijvoeglijk naamwoord gebruikt, dan schrijf je het woord zo kort mogelijk, dus niet met dubbel t of dubbel d
bijvoorbeeld aanbranden --> het aangebrande eten
LET OP! soms schrijf je wel een dubbel t of d bijvoorbeeld : de gezette koffie, anders spreek je het verkeerd uit (gezete koffie bestaat niet).
Oefenen
Ontleden in het eerste vlak
Het ontleden doen we altijd met een vaste volgorde:
1. (de persoonsvorm) deze vind je door de zin in een andere tijd te zetten. Het werkwoord dat veranderd is de persoonsvorm
bijvoorbeeld : Ik loop door de straat
Ik (liep) door de straat.
Loop is dus de pv.
2. (werkwoordelijke rest) de werkwoordelijke rest zijn de werkwoorden die overblijven in de zin.
Gisteren heeft het ook al geregend
Gisteren (had) het ook al (geregend)
Geregend is het werkwoord dat over blijft
3. [niet werkwoordelijke rest] de niet werkwoordelijke rest heb je in drie verschillende vormen:
1. een afgekapt stukje van het hele werkwoord
Een meisje (stak) de straat [over]
over komt van het werkwoord oversteken. Dit is dus de niet werkwoordelijke rest
2. als het een uitdrukking is
Hij (zit) [in de rats]
3. Als het een wederkerend voornaamwoord is
Hij (wast) [zich]
Jij (wast) [je]
4. [gemengde rest} de gemengde rest kent twee vormen
1. aan het + te + heel werkwoord
Hij (is) [aan het verven}
2. te + heel werkwoord
Zij (ligt) [te zonnen}
5. (Het onderwerp) het onderwerp vind je door deze vraag te stellen : wie/wat + gezegde
(Marieke) (gaat) naar school
Wie of wat gaat? --> Marieke
Marieke is dus het onderwerp
6. Lijdend voorwerp om het lijdend voorwerp te vinden stel je de vraag wie/ wat + gezegde + onderwerp
(Ik) (pak) het boek.
Wie of wat pak ik? --> het boek
Het boek is dus lijdend voorwerp
7. Meewerkend voorwerp het meewerkend voorwerp begint met het woord 'aan' of 'voor' of je kunt deze
woorden weglaten als ze er al staan
Ik koop voor mijn oma een bos bloemen
Ik koop mijn oma een bos bloemen.
Je kunt het woordje 'voor' weglaten. Dit is dus meewerkend voorwerp.
8. |Voorzetsel voorwerp| dit zinsdeel begint altijd met een voorzetsel! Dit voorzetsel is een 'vast' voorzetsel bij een bepaald werkwoord.
(Ik) (hou) |van katten|
9. Bijwoordelijke bepaling De bijwoordelijke bepaling zijn alle woorden die overblijven in de zin
v v
Gisteren (ben) (ik) (gaan eten)
v v
Oefenen
Digischool
Cambiumned
1. (de persoonsvorm) deze vind je door de zin in een andere tijd te zetten. Het werkwoord dat veranderd is de persoonsvorm
bijvoorbeeld : Ik loop door de straat
Ik (liep) door de straat.
Loop is dus de pv.
2. (werkwoordelijke rest) de werkwoordelijke rest zijn de werkwoorden die overblijven in de zin.
Gisteren heeft het ook al geregend
Gisteren (had) het ook al (geregend)
Geregend is het werkwoord dat over blijft
3. [niet werkwoordelijke rest] de niet werkwoordelijke rest heb je in drie verschillende vormen:
1. een afgekapt stukje van het hele werkwoord
Een meisje (stak) de straat [over]
over komt van het werkwoord oversteken. Dit is dus de niet werkwoordelijke rest
2. als het een uitdrukking is
Hij (zit) [in de rats]
3. Als het een wederkerend voornaamwoord is
Hij (wast) [zich]
Jij (wast) [je]
4. [gemengde rest} de gemengde rest kent twee vormen
1. aan het + te + heel werkwoord
Hij (is) [aan het verven}
2. te + heel werkwoord
Zij (ligt) [te zonnen}
5. (Het onderwerp) het onderwerp vind je door deze vraag te stellen : wie/wat + gezegde
(Marieke) (gaat) naar school
Wie of wat gaat? --> Marieke
Marieke is dus het onderwerp
6. Lijdend voorwerp om het lijdend voorwerp te vinden stel je de vraag wie/ wat + gezegde + onderwerp
(Ik) (pak) het boek.
Wie of wat pak ik? --> het boek
Het boek is dus lijdend voorwerp
7. Meewerkend voorwerp het meewerkend voorwerp begint met het woord 'aan' of 'voor' of je kunt deze
woorden weglaten als ze er al staan
Ik koop voor mijn oma een bos bloemen
Ik koop mijn oma een bos bloemen.
Je kunt het woordje 'voor' weglaten. Dit is dus meewerkend voorwerp.
8. |Voorzetsel voorwerp| dit zinsdeel begint altijd met een voorzetsel! Dit voorzetsel is een 'vast' voorzetsel bij een bepaald werkwoord.
(Ik) (hou) |van katten|
9. Bijwoordelijke bepaling De bijwoordelijke bepaling zijn alle woorden die overblijven in de zin
v v
Gisteren (ben) (ik) (gaan eten)
v v
Oefenen
Digischool
Cambiumned
Labels:
eerste vlak,
nederlands,
oefenen,
ontleden,
regeltjes
Abonneren op:
Posts (Atom)