Er bestaan in het Nederlands acht werkwoordstijden. Om te bepalen of de zin in de tegenwoordige tijd of in de verleden tijd staat, kijk je naar de pv. Staat er verder een hulpwerkwoord van 'hebben' of 'zijn' in de zin, dan is de zin voltooid. Zo niet, dan is de zin onvoltooid. Staat er een hulpwerkwoord van 'zullen' in de zin dan heb je te maken met de toekomende tijd. Hieronder volgen enkele voorbeelden:
Onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.)
Ik werk
Ik kom
Onvoltooid verleden tijd (o.v.t.)
Ik werkte
Ik kwam
Voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)
Ik heb gewerkt
Ik ben gekomen
Voltooid verleden tijd (v.v.t)
Ik had gewerkt
Ik was gekomen
Onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd (o.t.t.t.)
Ik zal werken
Ik zal komen
Onvoltooid verleden toekomende tijd (o.v.t.t.)
Ik zou werken
Ik zou komen
Voltooid tegenwoordig toekomende tijd (v.t.t.t.)
Ik zal gewerkt hebben
Ik zal gekomen zijn
Voltooid verleden toekomende tijd (v.v.t.t.)
Ik zou gewerkt hebben
Ik zou gekomen zijn
Geen opmerkingen:
Een reactie posten