Het ontleden doen we altijd met een vaste volgorde:
1. (de persoonsvorm) deze vind je door de zin in een andere tijd te zetten. Het werkwoord dat veranderd is de persoonsvorm
bijvoorbeeld : Ik loop door de straat
Ik (liep) door de straat.
Loop is dus de pv.
2. (werkwoordelijke rest) de werkwoordelijke rest zijn de werkwoorden die overblijven in de zin.
Gisteren heeft het ook al geregend
Gisteren (had) het ook al (geregend)
Geregend is het werkwoord dat over blijft
3. [niet werkwoordelijke rest] de niet werkwoordelijke rest heb je in drie verschillende vormen:
1. een afgekapt stukje van het hele werkwoord
Een meisje (stak) de straat [over]
over komt van het werkwoord oversteken. Dit is dus de niet werkwoordelijke rest
2. als het een uitdrukking is
Hij (zit) [in de rats]
3. Als het een wederkerend voornaamwoord is
Hij (wast) [zich]
Jij (wast) [je]
4. [gemengde rest} de gemengde rest kent twee vormen
1. aan het + te + heel werkwoord
Hij (is) [aan het verven}
2. te + heel werkwoord
Zij (ligt) [te zonnen}
5. (Het onderwerp) het onderwerp vind je door deze vraag te stellen : wie/wat + gezegde
(Marieke) (gaat) naar school
Wie of wat gaat? --> Marieke
Marieke is dus het onderwerp
6. Lijdend voorwerp om het lijdend voorwerp te vinden stel je de vraag wie/ wat + gezegde + onderwerp
(Ik) (pak) het boek.
Wie of wat pak ik? --> het boek
Het boek is dus lijdend voorwerp
7. Meewerkend voorwerp het meewerkend voorwerp begint met het woord 'aan' of 'voor' of je kunt deze
woorden weglaten als ze er al staan
Ik koop voor mijn oma een bos bloemen
Ik koop mijn oma een bos bloemen.
Je kunt het woordje 'voor' weglaten. Dit is dus meewerkend voorwerp.
8. |Voorzetsel voorwerp| dit zinsdeel begint altijd met een voorzetsel! Dit voorzetsel is een 'vast' voorzetsel bij een bepaald werkwoord.
(Ik) (hou) |van katten|
9. Bijwoordelijke bepaling De bijwoordelijke bepaling zijn alle woorden die overblijven in de zin
v v
Gisteren (ben) (ik) (gaan eten)
v v
Oefenen
Digischool
Cambiumned
Geen opmerkingen:
Een reactie posten