zaterdag 15 februari 2014

Spelling werkwoorden

1. Infinitief = het hele werkwoord
 Ik ga buiten fietsen

2. Persoonsvorm (pv)
 * tegenwoordige tijd
  --> Ik-vorm                                           ik fiets
  --> jij, hij, zij het  = ik-vorm + t              jij fietst
  --> wij, jullie, zij  = ik-vorm +en             wij fietsen
 * verleden tijd
 - sterke werkwoorden = klinkerverandering
 ik roep          -     ik riep
 wij roepen     -     wij riepen
  - zwakke werkwoorden
  --> ik-vorm + te (enkelvoud)
  --> ik-vorm +ten (meervoud)
  --> ik-vorm + de (enkelvoud)
  --> ik-vorm +den (meervoud)
 wanneer te/de en ten/den?
  Is het een klankvast werkwoord?
   Ja --> schrijf wat je hoort als je het in het meervoud zet (baalden dus baalde en niet baalte)
  Als de stam eindigt op x c t f k s ch p dan stam + te/ten
  Als de stam niet op deze letters eidigt dan stam + de/den

3. Voltooid deelwoord
 Het voltooid deelwoord staat meestal achteraan in de zin en heeft een hulpwerkwoord van hebben of zijn      bij zich in de zin staan bijvoorbeeld : ik heb gefietst
 je maakt het voltooid deelwoord langer als je niet weet of je het met een d of t moet schrijven. Beter is als je de regel van 't Kofschip + x toepast. We nemen de stappen die je moet zetten een keer door
 stap 1 : neem het infinitief van het werkwoord --> Juichen
  stap 2 : laat 'en' weg (=stam) --> juich
  stap 3 : staat ch in 't kofschip? --> ja dus met een T
  stap 4 : ik vorm + te --> juichte

4. Bijvoeglijk naamwoord
 Wordt het werkwoord als bijvoeglijk naamwoord gebruikt, dan schrijf je het woord zo kort mogelijk, dus    niet met dubbel t of dubbel d
 bijvoorbeeld aanbranden --> het aangebrande eten
LET OP! soms schrijf je wel een dubbel t of d bijvoorbeeld : de gezette koffie, anders spreek je het  verkeerd uit (gezete koffie bestaat niet).


Oefenen

   

Geen opmerkingen:

Een reactie posten