1. Infinitief = het hele werkwoord
Ik ga buiten fietsen
2. Persoonsvorm (pv)
* tegenwoordige tijd
--> Ik-vorm ik fiets
--> jij, hij, zij het = ik-vorm + t jij fietst
--> wij, jullie, zij = ik-vorm +en wij fietsen
* verleden tijd
- sterke werkwoorden = klinkerverandering
ik roep - ik riep
wij roepen - wij riepen
- zwakke werkwoorden
--> ik-vorm + te (enkelvoud)
--> ik-vorm +ten (meervoud)
--> ik-vorm + de (enkelvoud)
--> ik-vorm +den (meervoud)
wanneer te/de en ten/den?
Is het een klankvast werkwoord?
Ja --> schrijf wat je hoort als je het in het meervoud zet (baalden dus baalde en niet baalte)
Als de stam eindigt op x c t f k s ch p dan stam + te/ten
Als de stam niet op deze letters eidigt dan stam + de/den
3. Voltooid deelwoord
Het voltooid deelwoord staat meestal achteraan in de zin en heeft een hulpwerkwoord van hebben of zijn bij zich in de zin staan bijvoorbeeld : ik heb gefietst
je maakt het voltooid deelwoord langer als je niet weet of je het met een d of t moet schrijven. Beter is als je de regel van 't Kofschip + x toepast. We nemen de stappen die je moet zetten een keer door
stap 1 : neem het infinitief van het werkwoord --> Juichen
stap 2 : laat 'en' weg (=stam) --> juich
stap 3 : staat ch in 't kofschip? --> ja dus met een T
stap 4 : ik vorm + te --> juichte
4. Bijvoeglijk naamwoord
Wordt het werkwoord als bijvoeglijk naamwoord gebruikt, dan schrijf je het woord zo kort mogelijk, dus niet met dubbel t of dubbel d
bijvoorbeeld aanbranden --> het aangebrande eten
LET OP! soms schrijf je wel een dubbel t of d bijvoorbeeld : de gezette koffie, anders spreek je het verkeerd uit (gezete koffie bestaat niet).
Oefenen
Geen opmerkingen:
Een reactie posten